Onderzoek naar gezinnen met homo-vaders – draagmoederschap

31 december 2017

Gay father families: The development of early parent-child relationships

In 2013 is er aan de Universiteit van Amsterdam, samen met Cambridge University (UK), Université Paris Ouest-Nanterre La Défense en Centre d’Etudes interdisciplinaires des faits religieux (Frankrijk) een onderzoek gestart naar homoseksuele mannen die een kind hebben gekregen met een draagmoeder. Het onderzoek werd gefinancierd door Open Research Area (ORA) en in drie landen (UK, Frankrijk en Nederland) uitgevoerd. Het is één van de eerste onderzoeken naar deze doelgroep en het unieke van deze studie is dat er gekeken werd naar een periode dat deze ouders in een transitie fase zitten naar het vormgeven van het ouderschap, hun kinderen waren tijdens het onderzoek immers nog baby’s van 4 maanden oud. In november/december 2017 zijn de eerste twee internationaal wetenschappelijke artikelen gepubliceerd over deze studie.

Aan het onderzoek hebben in totaal 38 homo vader gezinnen meegedaan, die vergeleken zijn met 61 lesbische (twee) moeder gezinnen en 41 moeder-vader gezinnen. Al de twee vader gezinnen hadden een kind gekregen dankzij de hulp van een draagmoeder, de lesbische gezinnen met een sperma donor afkomstig uit een kliniek en de moeder-vader gezinnen hadden gebruik gemaakt van een IVF procedure met eigen sperma en eicellen.

In het eerste recent gepubliceerde artikel (verschenen in Human Reproduction) is er gekeken naar het psychologisch welbevinden van de ouders in termen van opvoedingstress, depressieve gevoelens en angsten en kwaliteit van de relatie tussen beide ouders. Eén van de veel gehoorde kritieken op homoseksuele vaders die een kind krijgen met een draagmoeder is namelijk dat zij wel met erg veel factoren te maken krijgen die “anders zijn dan anders” zoals het zijn van een homoseksuele vader in combinatie met het krijgen van een kind met een draagmoeder. Op beide aspecten kan hun omgeving negatief reageren wat weer van invloed kan zijn op het psychologisch welbevinden waarvan we weten dat dit op lange termijn invloed hebben op het welbevinden van hun kinderen. Echter in het onderzoek werden op grond van de ingevulde vragenlijsten geen verschillen gevonden tussen het psychologisch welbevinden van de homoseksuele vaders in vergelijking met de lesbische moeders en de ouders uit de moeder-vader gezinnen. Belangrijke resultaten die de kritiek kan weerleggen op homoseksuele mannen die op deze wijze hun kinderwens willen realiseren.

In het tweede artikel dat recent verschenen is (in Journal of Family Studies)  zijn de ouders (homovaders, lesbische moeders en ouders uit moeder-vader gezinnen die een kind met IVF hebben gekregen) met elkaar vergeleken op onder andere hun ervaringen tijdens de zwangerschap, en hun eerste ervaringen als ouder net naar de geboorte, hun ervaren ouderlijke competentie en warmte en emotionele betrokkenheid bij de opvoeding van de baby. In tegenstelling tot het eerste artikel waar de resultaten gebaseerd zijn op de door de ouders ingevulde vragenlijsten, zijn in deze tweede publicatie de gegevens uit de gestandaardiseerde interviews (afgenomen tijdens de huisbezoeken) met elkaar vergeleken. Al hoewel de homoseksuele vaders minder positieve gevoelens aan het einde van de zwangerschap rapporteerden dan lesbische moeders, spraken zij in vergelijking met de heteroseksuele ouders weer positiever over het ouderschap net na de geboorte van het kind. Op al de overige onderzochte aspecten van ouderschap in de periode dat de respondenten een transitie mee maken naar het ouderschap toe waren geen significante verschillen gevonden tussen de ouders in de verschillende gezinstypes.

Het zal zeer zeker niet bij deze twee verschenen artikelen blijven waarover vanuit dit (internationaal samengestelde) onderzoeksteam over homoseksuele mannen die een kind hebben gekregen met een draagmoeder gerapporteerd wordt. De resultaten tot nu toe zijn van uiterst belang voor het ontwikkelen van beleid en wetgeving met betrekking tot deze nieuwe gezinsvorm, evenals voor de regulering van draagmoederschap. Het homohuwelijk wordt in alle drie de landen waar het onderzoek is uitgevoerd erkend, maar de situatie met betrekking tot homo-en lesbisch ouderschap en draagmoederschap verschilt in de drie landen enorm. Zo is in Franrijk bijvoorbeeld draagmoederschap per wet verboden en hebben lesbische stellen geen toegang tot klinieken en ziekenhuizen voor sperma donatie. In Nederland en de UK kunnen lesbische stellen wel naar een kliniek gaan voor sperma donatie en is draagmoederschap wel toegestaan. Echter in beide landen zijn veel beperkingen en barrières voor homoseksuele mannen om een kind te krijgen middels hoogtechnologisch draagmoederschap waarbij de draagmoeder niet van haar eigen eicellen zwanger is maar die van een andere vrouw. Hierdoor zijn homoseksuele mannen vaak genoodzaakt om naar het buitenland af te reizen voor deze vorm van draagmoederschap wat veelal een kostbare route is. De resultaten van de studie kan beleidsmakers aanmoedigen om de wetgeving te veranderen en de barrières te doorbreken die homokoppels verhinderen om hun wens om ouders te worden via hoogtechnologisch draagmoederschap te vervullen en te komen tot een wetgeving die conform is met wat bijvoorbeeld de “The Ethics Committee of de American Society for Reproductive Medicine” al in 2008 heeft gesteld namelijk dat “requests for assisted reproduction should be considered regardless of the applicant’s sexual orientation”.

De artikelen zijn op te vragen bij Dr. Henny Bos van de Universiteit van Amsterdam die als hoofdaanvrager bij het onderzoek betrokken was dat in Nederland werd uitgevoerd door Dr. Loes Van Rijn-Van Gelderen in samenwerking met een heel team aan onderzoeksassistenten die geholpen hebben met het verzamelen van de gegevens. Het email adres van Dr. Henny Bos is: H.M.W.Bos@uva.nl