Opgroeien met twee moeders

26 april 2015 | tags: ervaringsverhaal, lesbisch ouderschap, roze kinderen

Oorspronkelijk gepubliceerd in de Volkskrant (26-08- 2006); tekst Annemiek Leclaire. Foto’s van Paul D. Scott  ontbreken helaas.

De eerste kinderen van lesbische stellen zijn (bijna) meerderjarig. Hoe hebben deze pioniers hun jeugd ervaren? ‘Ik zou wel een keer een normaal gezin willen hebben….

‘Toen ik in Amsterdam op school zat, vond niemand het gek dat ik twee moeders had’, zegt Lotte Kanters (22). ‘De juf die ik toen had, was zelf lesbisch, en we hadden nog een ander meisje in de klas met een lesbische moeder. Mijn moeders gingen gewoon samen naar de ouderavond.

‘Maar toen ik acht was, gingen mijn ouders scheiden en verhuisden mijn biologische moeder en ik naar een klein dorpje in Brabant, want daar woonde mijn moeders familie. Mijn andere moeder hield mijn broer bij zich. We hadden een omgangsregeling, net als andere kinderen van gescheiden ouders.

‘Ik merkte daar dat het helemaal niet zo normaal was om twee moeders te hebben. Het begon er al mee dat mijn moeder aan mijn mentor uitlegde hoe wij in Brabant waren gekomen, en dat die mentor zei: ”Dat moet je maar niet meteen aan iedereen vertellen.” Zij maakte er al een punt van. En hoe er daar op school over homo’s en lesbiennes gepraat werd, dat kende ik uit Amsterdam helemaal niet.

‘Als je in die dorpen bij iemand op visite komt, vragen ze: ”Van wie ben jij er een?” Ik heb toen verzonnen dat ik een vader had, in Amsterdam. Op het moment dat je zegt: ”Ik heb een vader”, doe je je andere moeder zó te kort, dat is zó pijnlijk.

‘Ik weet nog dat mijn broer een keer bij ons in het dorp aan het aardbeien plukken was, als vakantiebaantje, en dat mijn moeder toen kwam aanlopen en hij snel tegen haar zei: ”Je bent mijn tante, hoor.” Die voelde ook meteen dat hij ergens was waar hij niet eerlijk kon zijn.’

Lotte Kanters, student aan de opleiding voor dramadocenten in Arnhem, heeft twee moeders, en een vader die ze niet kent. De moeder van Kanters kreeg haar dochter via kunstmatige inseminatie met het zaad van een anonieme donor. Haar partner was eerder op dezelfde manier zwanger geraakt van Kanters’ oudere broer.

Lotte: ‘Ik heb destijds wel eens tegen mijn moeder gezegd: ”Als jij nou gewoon met een man was gegaan, dan was het allemaal wat simpeler geweest.”’

Maar toen ze de dorpsschool eenmaal had verruild voor de Vrije School in Nijmegen, was het lesbische ouderschap ‘geen issue meer’. ‘Er is daar nooit raar over gedaan.’

Babyboom

Sinds de jaren tachtig hebben in Nederland zo’n drieduizend van de pakweg 21 duizend lesbische stellen kinderen gekregen. Dit aantal staat los van alle gezinnen waarin de kinderen zijn meegekomen uit de heteroseksuele relatie die een van de moeders had voor ze als lesbienne uit de kast kwam. De emancipatie van homoseksualiteit en de opkomst van moderne voortplantingstechnieken hebben de afgelopen twintig jaar tot een ‘babyboom onder lesbiennes’ geleid.

Djoeke van Rossum (19) en haar broer Jelmer Hersbach (16) uit Katwijk maken, net als Lotte Kanters en haar broer, deel uit van de eerste lichting kinderen uit een lesbische relatie. Ook zij kwamen ter wereld met behulp van een anonieme donor. ‘Ik heb mijn gezin altijd als zo’n standaardgezin gezien’, zegt Djoeke. ‘Ik heb twee ouders, we hadden altijd een hond en een kat, een hoekhuis met een tuin op het zuiden, en een jongetje en een meisje.

‘Het enige verschil is, dat ik in plaats van een vader en een moeder twee moeders heb. Voor mij is dat eigenlijk een heel klein dingetje. Zo betekenisvol is dat sekse-aspect niet. Ook niet in praktische zin. Ik zit net op kamers en mijn moeder kan echt heel goed planken ophangen, boren en sjouwen.’

Bloedband

Er is vanaf de jaren tachtig nogal wat onderzoek gedaan naar de verschillen tussen homo- en heteroseksuele relaties, en de gevolgen daarvan voor kinderen. Uit internationaal onderzoek blijkt steeds dat de kinderen uit die twee groepen niet van elkaar te onderscheiden zijn.

In Nederland vergeleek dr. Henny Bos, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam honderd ‘geplande’ lesbische gezinnen met evenzoveel heteroseksuele gezinnen. Ze vond tussen de lesbische biologische moeders (die het kind gedragen hebben) en de heteroseksuele vrouwen geen verschillen in ouderschapsbeleving of manier van omgaan met het kind. Maar wel tussen de sociale moeders (de lesbische moeders die het kind niet gedragen hebben) en de heteroseksuele vaders.

De ‘mee-moeders’ voelden meer noodzaak om hun ouderschap te rechtvaardigen, omdat ze geen bloedband hadden met het kind, en omdat ze beseften dat ze het in een afwijkende gezinsvorm op de wereld hadden gezet. Daarom doen ze volgens Bos nog meer hun best dan vaders om goede ouders te zijn. Ook omdat ze vurig naar het moederschap hebben verlangd en een moeilijke weg hebben moeten afleggen om dat te bereiken.

Daarnaast hechtten ze minder dan de vaders aan traditionele opvoedingsidealen als zelfbeheersing en conformistisch gedrag, en legden ze minder structuur en grenzen op aan het kind.

Die verschillen lieten zich ook in deze studie niet terugzien bij de kinderen. Het kroost van lesbische vrouwen week wat interesses, gedrag en psychisch welbevinden betreft, niet af van de kinderen uit man-vrouw- relaties. Nu was de groep kinderen die Bos observeerde niet ouder dan acht, dus over de invloed van twee moeders op pubers en volwassenen valt pas iets te zeggen als de onderzoekspopulatie ouder wordt.

Giechelen

Onderzoeken vertellen niet alles. Dat twee moeders opkijken als een kind ‘mamma’ roept. Dat een kind buurtgenootjes hoort giechelen over bloempotten als twee moeders aan het werk zijn in de tuin. Dat het altijd fatsoenlijker dan andere kinderen probeert te zijn, zodat leraren en buren niet gaan zeuren over de afwezigheid van een vader in het huishouden. Dat een meisje het prettig vindt vanaf haar veertiende een vriend te hebben, zodat op school tenminste niet wordt gedacht dat zij ook… Dat kinderen uit minderheidsgroeperingen vanuit loyaliteit geneigd zijn te benadrukken hoe fijn het allemaal was thuis, en hoe normaal ook.

Het is in ieder geval duidelijk dat er voor kinderen van twee moeders iets verandert zodra ze naar het voortgezet onderwijs gaan. Jinnah Henke (18) uit Soest is net als haar jongere broer geboren uit een moeder die Mirjam heet. Haar oudere broer is de biologische zoon van haar andere moeder. De vrouwen hebben per kind een andere donor gekozen, steeds uit de collega- en kennissenkring.

Jinnah ziet haar donorvader en halfbroertjes een paar keer per jaar. Op de kleine basisschool in Den Dolder legde ze haar gezinsconstructie altijd geduldig uit, maar op de middelbare school in Soest praatte ze er ‘toch minder makkelijk over’.

‘Ik was een beetje bang dat mijn medeleerlingen er raar over zouden gaan doen’, zegt ze. ‘Je bent twaalf, je komt op een nieuwe, grote school, dan is het heel belangrijk wat anderen van je denken.

‘Mijn oudere broer zat ook op die school, en die heeft de achternaam van zijn biologische moeder, dat is Kuiper. En ik heet Henke, naar mijn biologische moeder. Vroegen ze: ”Maar je broer, die heet Kuiper, en jij heet Henke?” ”Andere vader”, zei ik dan. Ik had niet altijd zin om dat allemaal te gaan uitleggen.

‘Ik heb ook wel eens gezegd, toen ik op school vakantiefoto’s liet zien, en een paar Marokkaanse meisjes zaten mee te kijken: ”Dat is de zus van mijn moeder.” Nu ik aan mijn opleiding begonnen ben, vertel ik het wel gewoon in de klas.’

Djoeke van Rossum, student pedagogische wetenschappen in Leiden: ‘Ik heb nooit moeite gehad met het feit dat ik twee moeders had, ook al woon je dan in een christelijk dorp als Katwijk. Wel heb je, als je aan het puberen bent, je momenten dat je denkt: Ik zou wel een keer een normaal gezin willen hebben. Gewoon eens niet alles hoeven uitleggen. Je hebt niet altijd zin om op te vallen.’

Uit onderzoek komt vooralsnog niet naar voren dat jongens uit lesbische gezinnen risicovoller opgroeien dan die uit een traditioneel gezin. Daarom is het opvallend dat bijna alle broers van de dochters in dit stuk weigerden om zich te laten interviewen. Ze hadden ‘geen zin’ of ‘vonden het niet zo nodig’. Is het leven met twee moeders toch problematischer dan ze willen toegeven? Of, oppert Henny Bos, ‘vinden jongens in de leeftijd tussen 16 en 20 jaar het sowieso lastig om over hun gezinsleven te praten?’

Weerzin

Volgens Jelmer Hersbach (16), broer van Djoeke, heeft het eerder te maken met de weerzin om steeds als uitzondering te worden behandeld. Hij zegt: ‘Voor mij is mijn gezin volstrekt normaal. Ik ben het gewend. Ik vind het goed zo. Het enige wat niet normaal is, is dat anderen het niet normaal vinden.’

Nee, hij heeft nooit vervelende reacties gehad, is er nooit mee gepest. Ja, hij heeft het altijd overal makkelijk verteld, in de klas en zo. En zeker, hij heeft altijd makkelijk vrienden en vriendinnen meegenomen naar huis.

‘Ik heb acht jaar op voetbal gezeten, en een van mijn ouders ging altijd mee. Ze stonden gewoon tussen de vaders, en die vaders waren altijd gezellig, die deden er niet moeilijk over. En mijn moeders konden heel goed met ze omgaan.’

Maar toch, als hij na de zomer aan zijn mbo-opleiding beveiliging gaat beginnen, gaat hij het niet meteen vertellen. ‘Ik ga eerst een beetje kijken hoe het daar allemaal gaat. Kijken: hoe zijn die mensen? Misschien zijn ze van binnen wel heel anders dan van buiten en kunnen ze ineens heel raar gaan reageren. Dus ik ga eerst vrienden maken en dan komen ze het vanzelf wel te weten.’

‘Ik vind het niet vervelend dat ik veel vragen krijg’, zegt Djoeke van Rossum. ‘Maar het valt me op dat ik vaak dezelfde vragen krijg. Altijd de vraag: ”Wil je niet weten wie je vader is?”’

Door de van mannen benodigde ingrediënten voor een zwangerschap is een bont scala aan ouderschapsconstructies ontstaan. Menige lesbienne schakelt een mannelijke kennis in, die na de geboorte al dan niet een deel van de opvoeding op zich neemt. Een andere gebruikelijke methode is kunstmatige inseminatie. Dat kon tot voor kort met zaad van een anonieme donor, maar sinds 2004 zijn de medische centra verplicht donorgegevens te bewaren, zodat het kind de kans heeft zijn of haar herkomst te traceren.

Het zijn niet de twee moeders in het gezin die zorgen voor een beetje spanning in het leven van de kinderen; het is de onbekende vader.

‘Natuurlijk vind ik het af en toe moeilijk dat ik mijn vader niet ken’, zegt Djoeke. ‘Als het bijna Vaderdag is en je loopt langs de winkels en je ziet allemaal foto’s van vaders met hun dochters…’

Donor

‘Ik ben heel blij met mijn ouders’, zegt Fenna van Dijk (17), dochter van Willeke en Joke uit Diemen, en kind van een anonieme donor, ‘maar ik heb het altijd heel erg gevonden dat ik niet weet wie mijn vader is. Het is toch een deel van jezelf dat je niet kent.’

Zelfs Jinnah, die haar ‘donorvader’ twee keer per jaar ontmoet, vindt het wel eens lastig. ‘Soms denk ik: het is toch wel raar. Al je vriendinnen hebben een vader, en die vader is heel belangrijk voor ze. Ik heb eigenlijk ook een vader, maar met hem heb ik niet zo veel contact. Dat was ook de afspraak tussen hem en mijn ouders. Ik weet niet zo goed wat ik daarmee wil.’

‘Ik denk zelf dat ik een makkelijkere jeugd heb gehad doordat mijn donor anoniem is’, zegt Lotte Kanters. ‘Omdat er in je leven toch een moment komt dat je wil kijken wie het is. En dan ga je langs, en wat dan? Wat verwacht je dan? Zo’n man gaat zich echt niet ineens als een vader gedragen, en ik denk dat ik dat dan toch een beetje zou willen.’

Minstens even fascinerend is de gedachte aan mogelijke halfbroertjes en -zusjes. Dat er kinderen rondlopen die in biologisch opzicht meer met ze gemeen hebben dan de kinderen met wie ze zijn opgegroeid. Djoeke en Jinnah zijn strikt genomen geen familie van de broers met wie ze samenleven.

Djoeke: ‘Ik kan heel goed met mijn broertje opschieten, we zijn echt twee handen op een buik, maar we lijken qua uiterlijk of innerlijk helemaal niet op elkaar. Dus af en toe denk ik: ik zou het wel leuk vinden om iemand te hebben die dat meer heeft.

‘Je hebt altijd wel dingen waardoor je je niet verwant voelt met je eigen familie, ik denk dat dat universeel is, vooral als je aan het puberen bent. Ik verbind dat natuurlijk meteen met het feit dat er maar ÉÉn persoon in het gezin biologisch aan mij verwant is.

‘Maar goed, dat compenseer je dan weer met vrienden.’